Tags

, , ,

28 Station Amsterdam-Amstel

Hij is de enige die hier thuis hoort. Dat zie je aan alles. Alle andere mensen die hem voorbij stuiven, zijn maar passanten. Dit is zijn plek, hier is hij elke dag. Je ziet het aan de manier waarop hij zijn bezem quasinonchalant tegen een vuilnisbak parkeert. Of aan de manier waarop hij een papiertje van de grond afraapt en dan een vuile blik op een willekeurig iemand werpt. Zeer waarschijnlijk gooide het lieflijke meisje dat papiertje op de grond, maar in zijn opzicht zijn ze allemaal hetzelfde.

De tienduizenden treinreizigers die elke dag zijn werkplek vervuilen, hij haat ze allemaal. De schoonmaker weet diep van binnen dat hij zijn familie voedt omdat zij troep maken, maar graag had hij gezien dat ze dat met wat meer gevoel zouden doen. Als alles in de daarvoor beschikbare afvalbakken zou verdwijnen, zou dat zijn leven een stuk makkelijker maken. Zo moeilijk was het toch niet? En ze zagen hem toch lopen met zijn bezem en zijn afvalbakken? Hij snapte niet waarom mensen dan niet de moeite namen om even naar een afvalbak te lopen.

De schoonmaker haatte vooral de mensen die rond dit tijdstip van de ene kant van het station naar de andere liepen. Het was spitsuur, mensen krioelden als mieren door de massa. Een systeem leek er niet in te zitten, maar toch ging iedereen van de ene naar de andere plek en leek iedereen te weten waar hij naartoe moest. De enige niet op doorreis, was de schoonmaker zelf. Hij bewaakte het fort, waarvoor wist hij niet. Het was niet zo dat het ooit schoon werd, die illusie had hij al lang geleden opgegeven.

Pas toen hij vorig jaar een aantal dagen niet werkte, zag iedereen wat hij deed. Pas als hij niet werkte, zagen mensen hem. Nu hij weer werkte, was hij weer niks meer. Hij was weer dezelfde zombie die tussen de massa voortbewoog. In een eigen tempo, een ander tempo dan de rest. Zelfs met zijn opvallende kleding, zag niemand hem.

Hij veegde nog wat. Ik volgde hem met moeite. Zelfs terwijl ik op hem lette, verloor ik hem telkens uit het oog. Hij was er niet, terwijl ik hem toch duidelijk zag lopen. De schoonmaker, hij waande zich de baas van het station. Een eigen baas, want hij was de enige die echt gaf om de plaats waar hij werkte. En zijn werk was nooit af, als hij ’s ochtends weer op zijn werk kwam, lag het papierwerk hoog opgestapeld en waren de bakken vol. Dan begon alles weer van voor af aan.

Advertisements