Tags

, ,

roubaix

Soms heb je dat met voorbijgangers. Van die mensen die even je leven in komen, die helemaal niet zo bijzonder zijn, maar die meteen je aandacht trekken. Dit was een gezin, op het oog vader, moeder en een zoon. Maar ze waren iets kwijt. Hun tweede zoon. Ze fietsten door de straat waar ik woon en waar ik net met mijn koffertje liep, terug van een flitsbezoek aan Zuid-Limburg.

Ik was vroeg vertrokken, want wilde op de bank Parijs-Roubaix kijken. Dat ik daar minder lang voor geslapen had en met een kleine kater een dikke twee uur in de trein moest zitten, nam ik voor lief. Je bent wielerfan of niet. Maar op dit laatste stukje op weg naar die bank, kwam dit gezin mijn leven binnenfietsen.

Roepend reden ze door mijn straat. Het jongetje dat ze kwijt waren, heette Seth. Het jongetje dat wel nog bij de ouders was, had een plan. Vader moest naar links, moeder naar rechts en hij zou nog even rechtdoor rijden. Het jochie nam zijn taak serieus, hij racete snel vooruit, terwijl hij de naam van zijn broer blijf scanderen.

Bij het pleintje iets verderop bleef hij even staan. Snel keek hij om zich heen, maar zijn broertje zag hij niet. Die kwam namelijk in een slakkentempo van iets verderop in de straat mijn kant op gereden. Hij had de grootste smile op zijn gezicht die ik dit weekend gezien heb. Zijn ouders en zijn, zo te zien, jongere broertje had hij mooi tuk.

Zijn broertje ziet hem nu ook. Die is minder blij met de actie van zijn broer. Hij scheld hem verrot. Zijn woordenschat is voor een jongetje van een jaar of tien imposant te noemen. “Vuile kankerjood,” hoor ik hem zeggen en dat bevestigt mijn gedachten dat het hier om een Joods gezin gaat. Die conclusie had ik getrokken na het zien van de krulletjes van de kinderen en de naam Seth.

De jongste van de twee roept naar zijn ouders, die op de hoek van de straat staan te wachten. De jongetjes rijden langs me. Dan ineens een claxon, piepende banden, een knal, een schreeuw en daarna alleen maar stilte. Ik kijk om. Wat er precies gebeurd is, is niet te zien. Even wil ik teruglopen, maar ik zie al mensen er op af rennen. Ik besluit door te lopen, door naar die bank die op mij wacht.

Advertisements